Het Hoger Onderwijs Persbureau kopte vorige maand in haar nieuwsbrief ‘Nederland scoort goed op onderwijs’ en baseerde zich hierbij op jonge cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. In 2007 had 31 procent van de 25- tot 64-jarigen in Nederland een diploma in het hoger onderwijs behaald, terwijl het gemiddelde in de Europese Unie rond de 25 procent ligt. Hoger opgeleiden zijn in ons land minder vaak werkloos, en het aantal hoger opgeleide werklozen daalde tot voor kort gestaag. Er wordt meer gestudeerd dan ooit.

In het studiejaar 2007-2008 stonden volgens het CBS in totaal 585 duizend personen ingeschreven in het bekostigde hoger onderwijs. Ruim 374 duizend studenten in het hbo en bijna 213 duizend op de universiteiten.

De hoongeluiden van de afgelopen jaren die studenten en pas afgestudeerden moeten aanhoren van hun voorgangers, zijn in het licht van de huidige omstandigheden misschien niet gepast. Het boek Vernieuwing in het Hoger Onderwijs (2006, Van Hout, red) stelt over het verschil in hoger onderwijs tussen vroeger en nu: ‘Zo was het tot in de jaren zeventig vrij normaal om tien jaar of langer over een rechtenstudie te doen die nominaal drie jaar duurde […] maar ook bij andere opleidingen studeerde men veel langer dan de cursusduur voorschreef.’

Zet de moderne student af tegen de studenten van voor de jaren zestig, die op kosten van gefortuneerde ouders of dankzij een renteloze lening in combinatie met een staatsgift zich volledig konden wijden aan de studie – en zelfs dat gebeurde niet altijd – en je mag concluderen dat de generaties te zeer verschillen om te kunnen spreken van een ‘daling van het niveau’.

Op internationaal gebied positioneren onze hogescholen en universiteiten zich steeds beter. Het aantal ingeschreven buitenlandse studenten groeide in cursusjaar 2007-2008 tot 6,9 procent, zo blijkt uit de het jaarboek van het Nuffic, de Nederlandse onafhankelijke non-profit organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs.

Toch legt de instroom van buitenlandse studenten ook de verschillen bloot. De afdeling studentendecanen van de Universiteit van Amsterdam geeft desgevraagd als voorbeeld dat studenten uit voormalige oostbloklanden minder presteren, omdat in ons land meer analytisch en kritisch vermogen wordt geëist, in plaats van louter feitenkennis.

Meer leerlingen naar vwo
Vooralsnog is het hoger onderwijs de beste manier om een toekomst op te bouwen. Het nationale werkloosheidspercentage is onder mensen met een hoog onderwijsniveau het laagst, en dat aantal daalde tot voor kort. In 2006 was 3,5 procent van de hoger opgeleiden werkloos, in 2008 was dat 2,7 procent. Van de laag opgeleiden was in 2008 3,9 procent werkloos.

Volgens Bestel in Beeld 2008, een uitgave van het Ministerie van OCW, komt de stijging in het hoger onderwijs voort uit het toenemend aandeel van havo en vwo in het voortgezet onderwijs en uit de toegenomen doorstroom naar het hoger onderwijs. ‘Steeds meer leerlingen gaan naar havo/vwo. Tien jaar geleden was het percentage leerlingen dat in het vo voor het vmbo koos nog ruim tien procentpunt hoger dan voor havo/vwo. In 2008 gaan er iets meer leerlingen naar havo/vwo dan naar vmbo,’ aldus het rapport van het ministerie.

Sentiment
Zoveel kritiek er is op het huidige niveau van havo en vwo, zo graag halen de criticasters het verleden erbij om de vroegere gymnasia te bewieroken. Dat sentiment is wellicht een beetje vals. Een eeuw geleden (1904) was het aantal gymnasiasten in Nederland minder dan 2000. In het boek Trends in onderwijsdeelname uit 1998 (pdf) van Bob Kuhry lezen we dat in de periode 1970-1994 het aandeel van de jongeren dat een vwo-diploma behaalde steeg van 10 naar 15 procent. Die groei zie je automatisch terug in de cijfers van het hoger onderwijs.

Volgens The Lost Race Between Schooling and Technology (pdf), een paper uit 2003 (Een uitgave van het Centraal Plan Bureau), was de verhouding tussen het aantal hoger en lager opgeleiden in 1969 1 op 10. Volgens de recente cijfers van het CBS zou die verhouding nu dus bijna 1 op 3 zijn.

Natuurlijk is er een hoop kritiek te leveren op het hoger onderwijs, maar tel daarbij op dat de huidige student gemiddeld meer bijbaantjes heeft, meer vrijwilligerswerk doet en in korte tijd meer moet presteren en dat er van een universitair docent in 2009 meer wordt verwacht dan dat hij urenlang in een collegezaal oreert; dan gaat het, met de recente cijfers in het achterhoofd, misschien helemaal zo slecht niet in het hoger onderwijs.

bron: vkbanen.nl