AMSTERDAM -  Wat gaat er na de verkiezingen gebeuren met de studiefinanciering? Die vraag houdt menig student bezig, nu diverse politieke partijen zich voorstander tonen van een sociaal leenstelsel ter vervanging van de huidige studiefinanciering. Andere partijen zijn hier echter fel tegen.

CDA, ChristenUnie, PVV en SP willen de huidige studiefinanciering handhaven. Van CDA en ChristenUnie moeten echter studenten die langer over hun studie doen dan de nominale studieduur plus één jaar een hoger collegegeld betalen.

Als het aan de ChristenUnie ligt, wordt het ontvangen van een studiebeurs ook afhankelijk van de duur van de studie. De SP wil de aanvullende beurs voor studenten uit gezinnen met een laag inkomen verhogen.

PvdA, VVD en D66 zijn voorstander van een sociaal leenstelsel, GroenLinks heeft een andere variant bedacht: studiebeurzen in de vorm van een studieloon.

De PvdA wil de basisbeurs in het hoger onderwijs op termijn omzetten in een sociaal leenstelsel waarmee de studiefinanciering naar draagkracht wordt gefinancierd door diegenen die hoger onderwijs hebben genoten. De aanvullende beurs voor studenten uit gezinnen met lagere inkomens blijft bestaan.

Ook D66 wil de basisbeurs op termijn vervangen door een sociaal leenstelsel, maar onder voorwaarde dat de vrijgekomen gelden worden geïnvesteerd in verbetering van de kwaliteit van het hoger onderwijs. De terugbetaling van studieschulden wordt verlengd tot 20 jaar waardoor afgestudeerden maandelijks minder hoeven terug te betalen.

Als het aan de VVD ligt, wordt geleidelijk een toegankelijk en sociaal leenstelsel ingevoerd. Om concurrentie tussen opleidingen en onderwijsinstellingen te bevorderen willen de liberalen tevens dat instellingen de gelegenheid krijgen om meer collegegeld te vragen.

GroenLinks is van oordeel dat de toegankelijkheid van het hoger onderwijs wordt vergroot door ruime studiebeurzen in de vorm van een studieloon. Studenten kunnen studeren zonder leenangst, grote bijbanen en zonder financieel afhankelijk te zijn van hun ouders.

De studiebeurs wordt gefinancierd uit een geringe en inkomensafhankelijke hogeronderwijsbelasting voor voormalig studenten. De hoogte van deze belasting is afhankelijk van het aantal studiejaren, zodat snel studeren loont.

Wat is nou eigenlijk een sociaal leenstelsel?

Bij een sociaal leenstelsel krijgt de student geen basisbeurs meer maar gaat hij een lening aan. Die lening moet worden afgelost als de student na zijn studie een baan heeft.

Die aflossing geschiedt naar draagkracht, bijvoorbeeld via een percentage van het inkomen. Als de afgestudeerde een laag of geen inkomen heeft, hoeft hij minder, of zelfs niets terug te betalen, hebben voorstanders van het sociaal leenstelsel bij herhaling verzekerd tijdens debatten over dit onderwerp.

Maar in het algemeen, zo verklaren zij, krijgen afgestudeerden een goede baan met een daarbij behorend salaris, dat vaak hoger is dan dat van mensen die geen hbo of universiteit hebben gevolgd.

Over hun hele leven gerekend hebben afgestudeerden 4 tot 10 procent meer te besteden dan mensen die na hun middelbare school meteen zijn gaan werken, zo blijkt uit onderzoek.

Volgens tegenstanders van een sociaal leenstelsel wordt het hoger onderwijs minder toegankelijk en zullen minder mensen gaan studeren, mede vanwege leenangst. Bovendien worden jonge mensen volgens diezelfde tegenstanders dan bij het begin van hun loopbaan al opgezadeld met een grote studieschuld. Hoe groot die studieschuld dan zal zijn, daarover verschillen de meningen. Meestal wordt gesproken over een bedrag van tussen de 25.000 en 30.000 euro.

Huidige situatie

Overigens is het niet zo dat studenten op dit moment helemaal niet lenen. De gemiddelde student heeft nu een studieschuld van zo’n 15.000 euro. Voor een lening kunnen studenten terecht bij de IB-Groep, die de hele studiefinanciering regelt.

De rente bij de IB-Groep bedraagt op dit moment 2,39%. Die lening moet afgelost worden binnen 15 jaar na afloop van de studie. Bij financiële problemen zijn er regelingen mogelijk.

Een lening is vaak noodzakelijk, omdat een student van de basisbeurs niet kan rondkomen. Die basisbeurs bedraagt zo’n 270 euro per maand voor een uitwonende student.

Ter illustratie: bij de invoering van de huidige studiefinanciering in 1986 bedroeg de basisbeurs ruim 600 gulden per maand. Omgerekend is dat ook 270 euro. Dus in 24 jaar is de basisbeurs hetzelfde gebleven, terwijl een student met dat bedrag nu veel minder kan doen dan toen.

Vandaar dat zoveel studenten tegenwoordig naast hun studie een bijbaantje hebben. Van de hbo- en wo-studenten heeft 69% een bijbaantje, aldus onderzoek van studenten.net in maart van dit jaar.

Voor een thuiswonende student is de basisbeurs 95 euro.

De basisbeurs is een prestatiebeurs. Een student krijgt die voor vier jaar en kan daarna nog drie jaar lenen. Voor langere studies is het mogelijk gedurende een langere periode een prestatiebeurs te krijgen. Wie binnen tien jaar z’n studie aan hbo of universiteit bekroont met een diploma, hoeft de beurs niet terug te betalen, zo niet, dan moet de beurs met rente worden terugbetaald.

Voor uitwonende studenten met minder draagkrachtige ouders is er een aanvullende beurs van 240 euro, voor thuiswonende studenten bedraagt die 220 euro. Ook de aanvullende beurs wordt gedeeltelijk als lening uitbetaald. Ook hier geldt dat kwijtschelding van (een gedeelte van) deze studieschuld mogelijk is.

bron: telegraaf.nl